Het is 1943 en de Europa is in oorlog. Dicht bij de grens van de vijand Duitsland ligt het stadje Bredevoort, de woonplaats van de negentienjarige Henk. De Duitsers willen hem inzetten voor het leger. Hij duikt onder. Twee jaar lang komt hij alleen ’s nachts in de buitenlucht. Zo hebben de Duitsers hem nooit te pakken gekregen, maar het scheelde niet veel.

Vierenzestig jaar later vertelt Henk Hunink zijn verhaal aan de eettafel in zijn huis in Utrecht. Daar woont hij al meer dan veertig jaar met zijn vrouw Gerda.
“Ik wilde niet voor de Duitsers werken, dus toen ben ik ondergedoken. Ik was steeds op de vlucht, maar het is me gelukt.” Henk ging van onderduikadres naar onderduikadres. Als er geruchten waren dat de Duitsers onderweg waren verplaatste hij zich naar een ander adres. Hij dook onder bij zijn ouders, familieleden en boeren die in de omgeving van Bredevoort woonden. “Op een gegeven moment kon ik niet meer op tijd naar mijn schuilplaats vluchten.” Henk was in zijn ouderlijk huis toen de Duitsers in aantocht waren.
“Wacht even,” en hij opent zijn kruiswoordpuzzelboekje waarin hij een lege pagina vindt op de laatste bladzijde. Henk begint te tekenen: “Dit is het huis van mijn ouders. Hier links en recht zijn kamers en dit” terwijl hij met zijn pen twee verticale strepen tekent, “is de gang.” Boven de kamers en de gang tekent hij nog twee lijnen. Tussen de houten zoldervloer en het plafond van de verdieping daaronder is een verloren ruimte. “Toen ik hoorde dat de Duitsers vlak bij ons huis waren, ben ik daar tussen gaan liggen. Ze kwamen ons huis in en ik hoorde ze de trap op gaan. Ze doorzochten ons huis. Eerst liepen ze onder mij in de gang heen en weer en daarna gingen ze naar zolder.” Henk is geamuseerd als hij hieraan terug denkt, “Ik hoorde hun voetstappen. Maar ze konden me niet vinden. Ze hadden niet verwacht dat ik daar nog tussen kon liggen.”


In het najaar van 1944 verruilde Henk het onderduikadres van zijn ouders voor dat van zijn oom. Diep in de nacht vertrok hij met zijn zwager Piet. Zijn vaders broer Herman woonde verderop in Corle. Henk pakt zijn pen er weer bij. Linksonder op het papier tekent hij het huis van zijn ouders waar verticaal een lange weg naar toe loopt van boven. Parallel aan deze weg ligt rechts een rivier. Helemaal rechts bovenin staat het huis van oom Herman, aan de andere kant van de rivier. Over de rivier tekent hij twee bruggen.
“Piet en ik wilde naar Herman om onder te duiken. Er liepen wat hoofdwegen, maar wij namen sluiproutes. Op een gegeven moment kwamen we bij het water aan, op een plek tussen die bruggen in. De bruggen werden bewaakt door Duitsers. Die lui hebben we goed geobserveerd totdat we een patroon zagen in hun heen en weer geloop. We hebben het een half uur aangezien en toen zijn we gaan rennen, de brug over. Wat we niet gezien hadden waren de putten die de Duitsers gegraven hadden voor schutters. Piet viel in een van die putten en kwam tot zijn kin terecht in ijskoud water.” Henk rilt als hij eraan terug denk. Maar de Duitsers hadden hen niet gezien en niet gehoord.
“De afstand tussen ons huis en dat van oom Herman was vijf kilometer, maar we hebben er uren over gedaan. We kwamen twee uur ‘s nachts aan. Oom Herman en tante Aleida wilden we niet wakker maken, dus we kropen in de schuur waar we hooi vonden om lekker op te slapen.”
“Acht uur de volgende morgen vertrok ik van de schuur naar de keuken om te ontbijten. Piet bleef nog wat langer liggen. In de keuken waren mijn oom en tante en mijn jongste neven en nichten. Ook de oudsten van dit gezin waren ondergedoken. Op een gegeven moment keken we uit het raam en zagen we dat het huis omsingeld was door Duitsers. ‘Nu is het gedaan’, dachten we. En Piet, die lag nog op het hooi te pitten.” Henk kon nergens meer heen vluchten, de Duitsers zouden aanbellen en hem vinden. “Ze kwamen met z’n allen naar binnen. De luitenant had zó’n geweer” en hij werpt zijn armen breed uit “en hij gaf die aan mij. ‘Zo, zijn hier nog wilde beesten?’ vroeg hij.” Henk reageerde verbaasd.
“Ga je mee jagen?” vroeg de luitenant hem vervolgens.
“Normaal moet ik me voor ze verstoppen. Maar nu ging ik met ze jagen! En voor het eerst sinds een jaar was ik in de buitenlucht. Ik was alleen met de Duitsers en heb een heerlijke dag uit gehad!”


”Piet was wakker geworden van de Duitsers en door de dakpannen heen kon hij ze bij het huis zien. Hij heeft de hele dag tussen het hooi gelegen terwijl ik lekker op jacht was.” Hij was geen moment bang, met de luitenant kon hij zelfs goed overweg “Ik kon goed met hem praten. We hebben geen wild meer gevangen, maar daar had ik ook geen behoefte aan.”

Henk schuift zijn tekeningen weg en leunt naar achteren in zijn stoel. Even lijkt het alsof hij nog iets wilt zeggen. Dan verschijnt een glimlach op zijn gezicht. “Ja, ja”, zegt hij en slaat zijn armen over elkaar.

 

"ZO ZIJN HIER NOG WILDE BEESTEN?"

Jagen met de Duitsers en andere avonturen van een 19-jarige in de Tweede Wereldoorlog.
Utrecht november 2007