DE VIS EN DE MAN

Het is een stille avond. Het water aait zacht het zand. Het strand is helemaal leeg op twee mensen na. Ze zitten in het zand vlak bij het water. De man had wijn meegenomen en lekkere hapjes. Een prachtig tafereeltje, belicht met fakkels. Maar wat een romantische avond had moeten worden, was geëindigd in een ordinaire ruzie. De man kneep zijn ogen dicht terwijl zij een relaas over hem uitstortte. Ze was niet gelukkig, schreeuwde ze en het was zijn schuld. Waren het maar de fakkels die flikkerde in haar ogen, dacht hij. Maar het was een allesverterend vuur van verwijten. Hij hield een kaasje voor haar neus en wilde vertellen van het winkelmeisje die hem zo goed hielp een keuze te maken, om zijn vrouw een beetje af te leiden. Maar zijn vrouw ontplofte! Ter plekke! Dat terwijl ze hem rauw lustte, maar daartoe was ze niet meer in staat. Ze zat verstijft met haar lange vingers en scherpe rode nagels naar hem uitgestrekt.
Uit het water kwam een grote, hele grote vis. Hap! Hij at de ontevreden vrouw op.
De man keek naar waar zijn vrouw net zat. Hij zag de afdruk van haar billen in het zand. In zijn ooghoeken ziet hij de vis in het water verdwijnen.
"Wat?!” schreeuwde hij. “He, stomme vis! Kom terug vis!”
De vis kwam weer boven en keek met een aller onschuldigst blik terug naar de man.
“Wat had dat te betekenen, vis?!”
De vis liet een boer ontsnappen en verontschuldigde zich daarvoor.
“Dit is van der zotten!”
“Nou, nou”, zei de vis. “Een beetje meer dankbaarheid is niet ongepast. Geef mij ook maar een stukje van die kaas en laten we samen van de rust genieten. Vind je het niet prachtig hier?”
“Je hebt mijn vrouw opgegeten!” De man stond te trillen van woede. “Jij krijgt geen kaas!”
De vis keek verbaasd. “Maar vond je haar dan niet heel vervelend?”
“Ja”, schreeuwde de man. Geschrokken sloeg hij zijn hand voor zijn mond.
“Jullie mensen gooien toch alles weg wat je niet meer leuk vindt? Nouja, wij vissen maken ons nuttig door dat op te eten. Maar onder ons, wij hebben daar onze buik vol van.”
“Nou, je zult toch ruimte moeten maken!” Gilde de man. “Want je eet mij maar ook mooi op!”
De vis trok een gezicht van een kind dat spruitjes voorgeschoteld krijgt. “Alsjeblieft niet”, zei hij zacht.
“Toch wel!”
“Ik kan proberen haar op te braken”, opperde de vis. “Ze is opgehouden met slaan tegen mijn maagwand, maar misschien leeft ze nog. Nee, dat denk ik eigenlijk toch niet. Hé, maar dan heb je haar terug én is ze lekker stil.” Hij keek voorzichtig op naar de man.
De man had stukjes kaas op zijn hoofd gelegd. “Kijk eens”, zei hij terwijl hij naar de kaas in zijn haar wees, “lekker kaas. Neem maar een grote hap, ik wil bij mijn vrouw zijn.”
“Jullie zijn maar wat raar!” Gromde de vis. “Dat overleef ik niet, nog zo’n maaltijd.” Ondanks dat die vrouw hem zwaar op de maag was gevallen, had hij wel zin in een stukje kaas. “Een stukje kaas, ik kan je wel afhelpen van je kaas. Kom ik naast je liggen en ga ik kijven als een viswijf, ik zal je vrouw spelen. Zullen we dat doen?”
“Nee.” Antwoordde de man resoluut.
De vis wist dat er niets anders op zat en nam een grote hap. Hij kokhalsde en legde zichzelf op het strand neer. Oef! Hij voelde de man rennen naar z’n vrouw. De vis keek naar de laatste stukjes kaas en werd ongelofelijk misselijk.
De volgende dag vond een hond de vis. Hij lag op het strand tussen twee gedoofde fakkels met lekkere hapjes en wijn om hem heen. Het was een romantisch tafereeltje. Maar toen de hond zag dat de vis dood was vond hij het maar verdrietig en rende weer weg.

Maart 2012