EEN KLEINE CHAMEUR BIJ DE IJSBAAN

Gisteren was er een ijshockey wedstrijd op de ijsbaan in het centrum van het schone Amersfoort. Elk bij elkaar geknutseld team kon zich opgeven. Een aantal bedrijven gaven zich op, scholieren, barkeepers van een café en zo ook gemeente Amersfoort. Namens de gemeenteraad was mijn vader zo sportief om een poging te wagen een potje mee te spelen. Als lieftallige dochter was ik aanwezig om mijn vader aan te moedigen. Wat ze ook behoorlijk nodig hadden.
Maar waar het me allemaal om gaat, wat mij nog steeds doet lachen, was een 14jarig jongetje dat naast me stond aan de kant.

Net op tijd arriveer ik. Op het ijs staan de eerste teams al klaar om van start te gaan. Meteen herken ik mijn vader, maar de afstand is te groot om mijn aanwezigheid kenbaar te maken bij hem. Ik neem het enige vrije plekje in aan de kant van de ijsbaan. Zo kom ik te staan naast een groepje allochtone jongetjes. Leunend op de reling, die de toeschouwers aan de zijlijn scheiden van de wedstrijd op het ijs, bekijk ik mijn vaders acties en bid snel of God hem wil behoeden voor een tragische smak op het ijs met chronische gevolgen. Zijn teamgenoten maken er een gewoonte van om flink op het ijs te knallen, alsof het bij het spel hoort. Misschien was het een tactische afleidingsmanoeuvre, al ziet het er allemaal erg pijnlijk uit. Ik bid of mijn vader zijn leven niet hoefde te riskeren voor dit soort tactieken.

Het groepje pubers, dat naast mij staat, loopt weg en ik kijk even om. Een schattig jongetje van waarschijnlijk veertien jaar, kijkt me vriendelijk aan en zegt: “Dag dame!”
Ik houd altijd wel van zulke manieren. Mijn broertje is ook al zo’n charmeur, die schopt het nog eens ver.
Met veel plezier kijk ik hoe een groep jonge jongens de vertegenwoordigers van gemeente Amersfoort af maakt. Klungelig proberen deze volwassenen de puk tegen te houden, al zouden ze zich beter bezig kunnen houden met overeind blijven staan.
Niet veel later komt het groepje allochtone pubers weer naast mij staan en hetzelfde jongetje groet mij weer, en wederom spreekt hij me aan met ‘dame’. Ik lach en kijk weer naar de afslachting van de gemeente Amersfoort.
“Heb je een vriendje?” Met een ruk keer ik mijn hoofd naar links. Beduusd door de vraag. Al snel begin ik te lachen.
“Nou?” en het jongetje kijkt me vol verwachting aan.
“Dat ga ik jóu niet vertellen,” en ik kijk lachend weg, “….daar ben jij veel te jong voor.”
“Heb je een vriendje? Nee, hè?”
Ik moet nog harder lachen, maar houd me in. Zou hij zich wel realiseren hoe oud ik ben? Hij blijft aandringen op zijn vraag.
“Nee, ik heb geen vriendje.”
“Ooo…” en hij vraagt snel verder: “Hoe oud ben je dan?” Direct begint hij mijn leeftijd te raden: “Veertien? Nee, vijftien?”
Ik ontken het. Hij telt door en wordt steeds minder vrolijk.
”Zeventien….Achttien?! Ben je achttien? Neee…”
“Ja, toch wel” bevestig ik, en teleurgesteld kijkt hij naar het ijs.
Ik kijk naar zijn vrienden die allemaal meegeluisterd hebben en me nu zeer vreemd aanstaren.
Opeens steekt er een hoofd naar voren: “Ik ben wel achttien!”
“O” is mijn reactie en ik glimlach.
Meteen krijgt hij “bek houden” en verwensingen naar zijn hoofd geslingerd van zijn vrienden. Even later druipt het groepje af.

Wat was dit enorm grappig. Ik kan er nog om lachen. Je had het jongetje moeten zien, zooo schattig! Maar ik denk niet dat hij dat wil horen….